ECLI:NL:PHR:2006:AU4529
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bewijsomkering bij verschoningsrecht artsen in arbeidsongeschiktheidsverzekering
De zaak betreft een geschil tussen een verzekerde en Interpolis over de arbeidsongeschiktheidsverzekering die werd afgesloten in 1989. De verzekerde had bij het aangaan van de verzekering vragen over rugklachten en ischias ontkennend beantwoord, terwijl zij daarvoor medische consulten had gehad. Interpolis stelde zich op het standpunt dat de verzekerde onjuiste informatie had verstrekt en beriep zich op artikel 251 van Pro het Wetboek van Koophandel om de verzekering te vernietigen.
Tijdens het proces werden artsen als getuigen opgeroepen, maar deze deden een beroep op hun verschoningsrecht vanwege de geheimhoudingsplicht jegens de verzekerde, die expliciet bezwaar maakte tegen het schenden van die plicht. Het hof oordeelde dat de verzekerde door haar houding de verzekeraar in bewijsnood bracht en daarom de bewijslast omgekeerd moest worden op grond van redelijkheid en billijkheid (artikel 150 Rv Pro).
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en benadrukte dat het verschoningsrecht een algemeen belang dient en dat het aan de artsen is om te beslissen of zij dit recht uitoefenen. Echter, wanneer een partij door haar proceshouding het bewijs van de wederpartij frustreert, kan dat leiden tot omkering van de bewijslast. De Hoge Raad verwierp de klachten van de verzekerde en verwierp het cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verzekerde wordt verworpen en de bewijslast wordt omgekeerd vanwege haar proceshouding die het bewijs van de verzekeraar frustreerde.