ECLI:NL:PHR:2006:AU3426
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontvankelijkheid en bewijsgebruik ondanks buitenlandse opsporingsmethoden
In deze zaak stond centraal of het openbaar ministerie ontvankelijk was in de vervolging van verdachte, gezien het feit dat het opsporingsonderzoek in Nederland was gestart op basis van informatie verkregen door Britse autoriteiten. De verdediging voerde aan dat in het Britse onderzoek een criminele burgerinfiltrant was ingezet en dat daardoor het bewijs onrechtmatig was verkregen, wat tot niet-ontvankelijkheid zou moeten leiden.
Het hof had vastgesteld dat de Britse opsporingsmethoden rechtmatig waren volgens het Britse recht en dat de Nederlandse autoriteiten op de startinformatie mochten afgaan. Pogingen om buitenlandse getuigen opnieuw te horen werden afgewezen vanwege het ontbreken van medewerking van de Britse autoriteiten en het feit dat de getuigen in een beschermingsprogramma zaten. De verklaringen van deze getuigen konden echter worden gebruikt omdat de verdediging eerder de gelegenheid had gehad hen te ondervragen.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof en wijst het beroep van de verdediging af. De overschrijding van de redelijke termijn in cassatie leidt tot strafvermindering, maar de overige middelen falen. Het bewijsgebruik van verklaringen van een getuige met een strafrechtelijk verleden is eveneens toelaatbaar zonder nadere motivering. De Hoge Raad vernietigt het arrest voor wat betreft de strafmaat en vermindert deze, voor de rest wordt het beroep verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling en vermindert de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn.