ECLI:NL:PHR:2005:AT4421
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtshulpverzoek en machtiging tot verstrekking stukken aan Duitse autoriteiten
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking van de Rechtbank Assen waarbij toestemming werd verleend om stukken van overtuiging, inbeslaggenomen op grond van een Duits rechtshulpverzoek, ter beschikking te stellen aan de Duitse autoriteiten. Het verzoek betrof doorzoekingen bij een verdachte en een bedrijf in Nederland.
De raadsman voerde aan dat de machtiging niet rechtsgeldig was omdat deze niet aan de officier van justitie was gegeven, maar aan een medewerkster van het Internationaal Rechtshulp Centrum. Ook werd betoogd dat de machtiging onvolledig was en dat er sprake was van onrechtmatige grondslagen vanwege afluisterpraktijken. De rechtbank verwierp deze verweren en oordeelde dat het wettelijke vereiste van machtiging niet dwingend voorschrijft aan wie deze moet worden gegeven en dat het aanvullend verzoek niet als een nieuw rechtshulpverzoek geldt.
De Hoge Raad bevestigt dat bij rechtshulpverzoeken op grond van verdragen zoveel mogelijk aan het verzoek moet worden voldaan, tenzij er wezenlijke belemmeringen zijn of strijd met fundamentele beginselen van het Nederlandse strafprocesrecht. De bestreden overwegingen van de rechtbank zijn niet onjuist of onbegrijpelijk. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking tot verstrekking van stukken aan Duitse autoriteiten blijft in stand.