ECLI:NL:PHR:2005:AT4371
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid in hoger beroep bij overschrijding beroepstermijn door bijzondere omstandigheden
De zaak betreft een verdachte die in eerste aanleg bij verstek is veroordeeld wegens het in voorraad hebben van valse bankbiljetten. Tegen dit vonnis stelde hij niet binnen de wettelijke termijn van 14 dagen hoger beroep in, maar pas later. Het hof verklaarde hem daarom niet-ontvankelijk. De verdachte stelde echter dat hij binnen de beroepstermijn door een medewerker van het parket was geïnformeerd dat hij niets hoefde te doen en moest wachten op een brief, waardoor hij gerechtvaardigd mocht verwachten dat de beroepstermijn nog niet was aangevangen.
De Hoge Raad overweegt dat de wet strikte termijnen stelt voor het instellen van rechtsmiddelen, die van openbare orde zijn. Overschrijding leidt in principe tot niet-ontvankelijkheid, tenzij bijzondere omstandigheden de overschrijding verontschuldigen. Een dergelijke bijzondere omstandigheid kan bestaan uit een uitlating van een parketmedewerker binnen de beroepstermijn die een gerechtvaardigde verwachting schept dat de termijn later begint of eindigt dan wettelijk bepaald.
Het hof had echter niet onderzocht of de door de verdachte aangevoerde bijzondere omstandigheid aannemelijk was. Daarom is het oordeel van het hof niet begrijpelijk. De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor nieuwe behandeling van het hoger beroep, waarbij dit aspect nader moet worden onderzocht.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor nieuwe behandeling van het hoger beroep wegens onvoldoende onderzoek naar bijzondere omstandigheden bij termijnoverschrijding.