ECLI:NL:PHR:2005:AT4005
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid doorzoeking auto bij aantreffen gebruikershoeveelheid wiet
Verdachte werd door het hof veroordeeld wegens het voorhanden hebben van een patroonhouder met munitie, medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen met munitie en het medeplegen van het voorhanden hebben van drie busjes traangas. Tijdens de procedure stelde de raadsman dat de in de auto aangetroffen gebruikershoeveelheid wiet onvoldoende was om een doorzoeking te rechtvaardigen en dat het bewijs onrechtmatig was verkregen.
Het hof oordeelde dat de bevoegdheid tot doorzoeking op grond van artikel 9 van Pro de Opiumwet ook bij een gebruikershoeveelheid wiet kan worden uitgeoefend. De aanwezigheid van een patroonhouder in de auto leidde tot een redelijk vermoeden dat verdachte ook elders wapens en munitie zou kunnen hebben, wat de doorzoeking van de woning en de auto van de vriendin rechtvaardigde.
De advocaat van verdachte voerde aan dat het zoeken disproportioneel was gezien de geringe hoeveelheid wiet en dat dit een inbreuk op het privéleven van verdachte betekende. De Hoge Raad stelde dat het hof dit beroep op disproportionaliteit had moeten behandelen, maar dat het niet leidt tot vernietiging omdat de inbreuk op het privéleven beperkt is en geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde het arrest van het hof, waarmee de veroordeling en de rechtmatigheid van het bewijs gehandhaafd blijven.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de rechtmatigheid van de doorzoeking en de veroordeling van verdachte.