ECLI:NL:PHR:2005:AT3654
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beperkingen ontnemingsvordering bij eerdere veroordeling zonder ontnemingsmaatregel
In deze zaak stond centraal de vraag of een ontnemingsvordering ex artikel 36e, derde lid, Wetboek van Strafrecht (Sr) kan worden ingesteld over strafbare feiten waarvoor de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld, maar waarbij toen geen ontnemingsvordering is ingesteld of aangekondigd. Het hof had geoordeeld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel uit eerdere strafbare feiten, die onderdeel waren van een eerdere veroordeling, alsnog kon worden betrokken in de ontnemingsvordering die volgde op een latere veroordeling.
De Hoge Raad stelt dat dit niet verenigbaar is met het ne bis in idem-beginsel. Dit beginsel voorkomt dat iemand tweemaal voor hetzelfde feit wordt vervolgd. De parlementaire geschiedenis en eerdere jurisprudentie tonen aan dat een ontnemingsvordering slechts binnen twee jaar na de eerste veroordeling kan worden ingesteld en dat het openbaar ministerie bij de hoofdzaak kenbaar moet maken of een ontnemingsvordering zal volgen. Indien dit niet gebeurt, kan het voordeel uit die feiten niet later alsnog via een ontnemingsprocedure worden gevorderd.
De Hoge Raad benadrukt dat de procedure tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel een voortzetting is van de strafvervolging en geen zelfstandige vervolging. Het feit dat in de eerdere zaak geen ontnemingsvordering werd ingesteld of aangekondigd, betekent dat het openbaar ministerie afstand heeft gedaan van het recht om dat voordeel later nog te vorderen. De conclusie is dat het hof een onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd door het voordeel uit de eerdere feiten in de ontnemingsvordering te betrekken.
Ten aanzien van het bewijs van het vermeende voordeel van f. 400.000,- uit de eerdere strafbare feiten, oordeelt de Hoge Raad dat het hof dit oordeel niet onbegrijpelijk heeft gemotiveerd, mede gezien de eigen verklaring van de verdachte. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar een ander hof voor hernieuwde behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en oordeelt dat een ontnemingsvordering niet kan worden ingesteld over eerder berechte feiten zonder ontnemingsvordering.