ECLI:NL:PHR:2005:AR3144
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid Staat voor schade door onrechtmatige rechtspraak en detentie na schending EVRM-artikel 6
In deze zaak vorderen drie veroordeelden schadevergoeding van de Staat wegens onrechtmatige rechtspraak en detentie, nadat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) had geoordeeld dat hun recht op een eerlijk proces was geschonden door het gebruik van anonieme getuigenverklaringen.
De strafrechtelijke veroordelingen berusten op onrechtmatige bewijsvoering, waardoor de detentie niet volgens de wet tot stand kwam. De rechtbank en het hof oordeelden dat de Staat aansprakelijk is voor de schade die voortvloeit uit deze onrechtmatige rechtspraak en de daaropvolgende detentie. Het hof paste een 'trial within a trial'-methode toe om te bepalen dat zonder de schending vrijspraak zou zijn gevolgd, en begrootte de schadevergoeding dienovereenkomstig.
De Staat betwistte onder meer de causaliteit en de hoogte van de schadevergoeding, en voerde aan dat de EHRM-billijkheidsvergoeding uitputtend zou zijn. De Hoge Raad verwierp deze bezwaren en bevestigde dat naast de EHRM-vergoeding een nationale schadevergoeding mogelijk is. Tevens werd bevestigd dat de onschuldpresumptie niet in de weg staat aan de civiele beoordeling van schade op basis van een hypothetische situatie zonder de procedurefout.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn beoordelingsvrijheid niet heeft miskend en dat de toegepaste methode en motivering toereikend zijn. Het cassatieberoep van de Staat werd verworpen, waarmee de eerdere schadevergoedingsbeslissing in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staat wordt verworpen; de Staat is aansprakelijk voor schade door onrechtmatige rechtspraak en detentie na schending van artikel 6 EVRM.