ECLI:NL:PHR:2005:AQ7207
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid en controle bij heffing van douanerechten op melkpoeder onder actieve veredeling
In deze zaak staat centraal of het Productschap Zuivel bevoegd was tot het opleggen van een uitnodiging tot betaling (UTB) voor douanerechten op ingevoerd volle melkpoeder met een vetgehalte boven 27%. Belanghebbende, een producent en handelaar in melkpoeder, had een vergunning actieve veredeling van het Productschap ontvangen en diende een douaneaangifte in voor melkpoeder onder GN-code 0402 21 19.
De Algemene Inspectiedienst (AID) nam monsters van de goederen voor onderzoek, waarbij het Rijks-Kwaliteitsinstituut voor land- en tuinbouwproducten (Rikilt) een vetgehalte boven de toegestane 27% vaststelde. Het Productschap legde op basis hiervan een UTB op. Belanghebbende betwistte de representativiteit van het monster en de bevoegdheid van het Productschap tot heffing.
De Hoge Raad analyseert de bevoegdheidsverdeling tussen inspecteur en Productschap, waarbij het Productschap onder artikel 22b AWR voor de inspecteur kan optreden bij heffing van rechten bij invoer, mits aan voorwaarden is voldaan. De monsterneming door de AID wordt beoordeeld op grond van communautaire en nationale regelgeving, waarbij wordt vastgesteld dat de AID slechts administratieve controles mag uitvoeren en niet bevoegd was tot fysieke monsterneming als inspecteur. De monsterneming was echter gerechtvaardigd op grond van een vergunningvoorschrift en de regeling actief veredelingsverkeer.
De Hoge Raad bevestigt dat de wettelijke grondslag voor het onderzoek van de goederen ligt in artikel 78 CDW Pro (controle achteraf) en niet in artikel 68 CDW Pro. Tevens wordt het arrest Derudder besproken, waarin het HvJ EG oordeelde dat de aangever de representativiteit van een monster ook na aanwezigheid bij de monsterneming mag betwisten zolang de goederen niet zijn gewijzigd. De Hoge Raad concludeert dat de UTB terecht is vastgesteld op basis van het door Rikilt vastgestelde vetgehalte en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat het Productschap niet deel uitmaakt van de belastingdienst.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de heffing van douanerechten door het Productschap Zuivel bevestigd.