ECLI:NL:GHAMS:2003:AP1655
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- A. Bijlsma
- J.W.M. Tijnagel
- K.J.L. Hesselt van Dinter
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijk geschil over vetgehalte melkpoeder en douanerechten bij actieve veredeling
Belanghebbende, een besloten vennootschap, voerde volle melkpoeder in onder een vergunning voor actieve veredeling met vrijstelling van douanerechten. De Algemene Inspectiedienst (AID) nam monsters van het product, die door het Rijks-kwaliteitsinstituut (Rikilt) werden onderzocht en een vetgehalte van meer dan 27% vaststelden. Belanghebbende voerde een heronderzoek uit in eigen laboratorium met lagere vetpercentages, maar kon deze niet aannemelijk maken tegenover de ambtelijke bevindingen.
Het geschil betrof de representativiteit van de monsters en de vraag of het vetgehalte aanleiding gaf tot het ontstaan van een douaneschuld. Belanghebbende stelde dat de monsters niet representatief waren en dat het verschil in vetgehalte geen fiscaal voordeel opleverde, terwijl de inspecteur stelde dat de monsters correct waren genomen en het vetgehalte leidend was voor de heffing.
Het Gerechtshof oordeelde dat belanghebbende geen bezwaar had gemaakt tegen de wijze van monsterneming en onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat onregelmatigheden waren begaan. Het door het Rikilt vastgestelde vetgehalte werd als representatief en bindend beschouwd. De Douanekamer wees het beroep af en bevestigde dat de douanerechten terecht waren geheven, waarbij het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen.
De proceskosten werden niet aan belanghebbende opgelegd. Tegen deze uitspraak kon binnen zes weken beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de heffing van douanerechten op basis van het door het Rikilt vastgestelde vetgehalte bevestigd.