ECLI:NL:PHR:2004:AP4455
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt voorwaardelijk opzet ondanks ontoereikend bewijs voor geoefendheid schutter
In deze zaak werd verdachte veroordeeld voor medeplegen van doodslag en andere feiten. Het hof stelde vast dat verdachte op de grond in de richting van het wegrennende slachtoffer had geschoten, waarbij het slachtoffer werd geraakt. Verdachte stelde dat hij niet de intentie had het slachtoffer te doden, maar slechts bang te maken.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het aannam dat verdachte een ongeoefend schutter was, maar dat deze omstandigheid wel uit de bewijsmiddelen kon worden afgeleid. Het hof mocht aannemen dat een niet-geoefend schutter zich bewust moet zijn van de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer dodelijk geraakt wordt en dat hij die kans op de koop toe nam.
De Hoge Raad verwierp het middel dat het bewijs voor het voorwaardelijk opzet ontbrak en bevestigde de bewezenverklaring. De zaak benadrukt dat het schieten in de richting van een persoon het gevaar van dodelijk letsel inhoudt en dat het bewust nemen van dat risico voldoende is voor voorwaardelijk opzet.
De Hoge Raad vond geen reden om het vonnis ambtshalve te vernietigen en verwierp het cassatieberoep.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt het oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van het slachtoffer en wijst het cassatieberoep af.