ECLI:NL:PHR:2004:AO5819
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid tot openen van gesloten vuist bij inbeslagneming drugs niet als onderzoek aan het lichaam
Op 8 augustus 2002 zagen verbalisanten een man in een gebied met veel overlast van harddrugs. Zij zagen dat deze man voortdurend werd aangesproken door verslaafden en vermoedden drugshandel. Bij het aanspreken hield de verdachte zijn linkervuist gesloten. De verbalisanten openden de vuist met proportioneel geweld en troffen daarin bolletjes met een cocaïne-achtige stof aan. De verdachte werd daarop aangehouden.
De verdediging stelde dat het bewijs onrechtmatig was verkregen omdat er geen redelijk vermoeden van schuld bestond ten tijde van het fouilleren en dat het openen van de vuist als een onrechtmatig onderzoek aan het lichaam moest worden beschouwd. Het hof oordeelde echter dat sprake was van ernstige bezwaren in de zin van de Opiumwet en dat het handelen van de verbalisanten rechtmatig was.
De Hoge Raad onderzocht of het openen van de vuist valt onder onderzoek aan het lichaam zoals bedoeld in artikel 56 Sv Pro en artikel 9 Opiumwet Pro. De Raad concludeert dat het openen van een vuist niet als onderzoek aan het lichaam kan worden aangemerkt, omdat het geen onderzoek is van de oppervlakte van het lichaam maar het wegnemen van een voorwerp dat de verdachte vasthoudt. Dit is vergelijkbaar met het gebruik van proportioneel geweld om een voorwerp uit handen te nemen.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde dat het bewijs rechtmatig is verkregen. Het arrest van het hof blijft daarmee in stand.
Uitkomst: Het openen van de gesloten vuist door opsporingsambtenaren was rechtmatig en het bewijs werd niet onrechtmatig verkregen verklaard.