ECLI:NL:PHR:2004:AO5693

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 mei 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01845/03
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 268 SvArt. 415 SvArt. 5 Wet op de accijns
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg van het begrip 'de zaak' in artikel 268 Sv en nietigheid van onderzoek door rechter-commissaris

In deze zaak stond centraal de uitleg van het begrip 'de zaak' in artikel 268 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv). De Hoge Raad verduidelijkt dat 'de zaak' de strafzaak tegen de verdachte betreft waarin de rechter-commissaris (R-C) enig onderzoek heeft verricht in het kader van een vordering tot bewaring of gerechtelijk vooronderzoek (GVO).

De casus betrof mr. Lensing, die als R-C onderzoek had gedaan in gerechtelijke vooronderzoeken tegen meerdere betrokkenen, waaronder de verdachte, en aanwezig was geweest bij een huiszoeking in verband met de tenlastelegging. Vervolgens nam hij als voorzitter deel aan het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, wat volgens artikel 268 Sv Pro niet is toegestaan indien hij als R-C in diezelfde zaak onderzoek heeft verricht.

De Hoge Raad bevestigde de vaste jurisprudentie dat geen onderscheid wordt gemaakt naar de aard of omvang van het onderzoek door de R-C; elke vorm van onderzoek leidt tot uitsluiting van deelname aan het onderzoek ter terechtzitting. De deelname van mr. Lensing aan het hoger beroep was daarmee in strijd met artikel 268 Sv Pro, wat de nietigheid van het onderzoek tot gevolg heeft.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het gerechtshof en verwees de zaak terug naar een ander gerechtshof voor hernieuwde berechting. Dit oordeel stond los van het feit dat de verdachte of zijn raadsman ter terechtzitting geen bezwaar hadden gemaakt tegen de deelname van mr. Lensing.

Uitkomst: Het arrest van het gerechtshof wordt vernietigd wegens schending van artikel 268 Sv en de zaak wordt verwezen voor hernieuwde berechting.

Conclusie

Nr. 01845/03
Mr. Jörg
Zitting 9 maart 2004
Conclusie inzake:
[verzoeker=verdachte]
1. Verzoeker is door het gerechtshof te Arnhem bij arrest van 3 april 2003 wegens het medeplegen van opzettelijk een in art. 5 van Pro de Wet op de accijns opgenomen verbod overtreden, veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
2. Namens verzoeker heeft mr. C.G.Th. Ouwerkerk, advocaat te Tiel, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt - kort gezegd - dat art. 268 Sv Pro is geschonden, doordat mr. J.A.W. Lensing als voorzitter heeft deelgenomen aan het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep naar aanleiding waarvan het arrest is gewezen, terwijl hij als rechter-commissaris in het gerechtelijk vooronderzoek is opgetreden en in die hoedanigheid aanwezig is geweest bij de huiszoeking bij verzoeker.
4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 maart 2003 houdt in dat mr. Lensing als voorzitter heeft deelgenomen aan het onderzoek ter terechtzitting naar aanleiding waarvan het bestreden arrest van 3 april 2003 is gewezen.
5. De aan de Hoge Raad gezonden stukken houden onder meer in:
(i) dat mr. Lensing is opgetreden als rechter-commissaris in de gerechtelijke vooronderzoeken tegen [A] Inc, [betrokkene 1] en [betrokkene 2];
(ii) dat in het kader van die gerechtelijke vooronderzoeken de verdenking tegen verzoeker is ontstaan en het aan de veroordeling ten grondslag liggende bewijsmateriaal is verzameld;
(iii) dat mr. Lensing in het kader van voormelde gerechtelijke vooronderzoeken als rechter-commissaris aanwezig is geweest bij de huiszoeking die in verband met de aan verzoeker tenlastegelegde - en bewezenverklaarde - gedraging heeft plaatsgevonden in de loods van verzoeker aan de [a-straat 1] te [plaats].
6. Art. 268, tweede lid (oud), Sv, welke bepaling ingevolge art. 415 Sv Pro in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is, verbiedt de rechter deel te nemen aan het onderzoek ter terechtzitting indien hij als rechter-commissaris in de zaak enig onderzoek heeft verricht.
7. Volgens vaste jurisprudentie van Uw Raad wordt in art. 268, tweede lid (oud), Sv geen onderscheid gemaakt naar gelang de aard en de omvang van de onderzoekswerkzaamheden die de desbetreffende rechter als rechter-commissaris heeft verricht (zie bijv. HR 23 september 1997, NJ 1998, 188; HR 13 januari 1998, NJ 1998, 390 en HR 11 januari 2000, NJ 2000, 196).
8. Gelet hierop moet het er in cassatie voor worden gehouden dat mr. Lensing als rechter-commissaris in deze zaak enig onderzoek heeft verricht in de zin van art. 268, tweede lid (oud), Sv en dat hij in strijd met deze bepaling heeft deelgenomen aan het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep. Zulks heeft de nietigheid van dit onderzoek tot gevolg (vgl. HR 27 januari 2004, 00823/03).
9. Het middel slaagt. Daaraan staat de omstandigheid dat de verzoeker noch zijn raadsman ter terechtzitting van het hof erover heeft geklaagd dat mr. Lensing deelnam aan dat onderzoek, niet in de weg (vgl. HR 27 januari 2004, 00823/03).
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG