ECLI:NL:PHR:2004:AO2784
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van inkomenskorting op VUT-uitkering wegens wethoudersbezoldiging
De zaak betreft de vraag of de bezoldiging van een wethouder als inkomsten uit arbeid of bedrijf moet worden aangemerkt en daarmee in mindering gebracht mag worden op de VUT-uitkering. De eiser ontving tussen 1995 en 1999 een VUT-uitkering en was vanaf april 1998 tot oktober 1999 wethouder. De Stichting kortte de VUT-uitkering met de wethoudersbezoldiging. De rechtbank oordeelde dat de bezoldiging onder de definitie van inkomsten uit arbeid valt en dat het bestuur terecht geen toepassing gaf aan de hardheidsclausule.
In cassatie werd betoogd dat de bezoldiging niet als zodanig mocht worden gekort, mede gelet op beleidsnota’s en de maatschappelijke doelstellingen van de VUT-regeling. De Hoge Raad stelt dat de omschrijving van inkomsten uit arbeid of bedrijf ruim is en dat toetsing van de toepassing van de hardheidsclausule aan het bestuur is voorbehouden, waarbij de rechter slechts marginaal toetst.
De Hoge Raad bevestigt dat de functie van wethouder en de bijbehorende bezoldiging onder de ruime omschrijving van inkomsten uit arbeid vallen. Het beleid van de Stichting om de hardheidsclausule niet ten gunste van wethouders toe te passen is niet onredelijk. De klachten over de motivering van de rechtbank zijn ongegrond, en het cassatiemiddel wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de wethoudersbezoldiging in mindering mag worden gebracht op de VUT-uitkering en wijst het cassatieberoep af.