ECLI:NL:PHR:2004:AN7327
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over vorderingen in hoger beroep en huurgeschil met woningstichting
Eiser heeft sinds 1980 een huurovereenkomst met een woningstichting en voerde vanaf 1984 meerdere procedures over huurverplichtingen en huurprijsverhogingen. De woningstichting vorderde ontbinding van de huurovereenkomst wegens tekortkomingen van eiser, waaronder het niet correct betalen van huur en slecht huurderschap door het voeren van vele procedures.
De kantonrechter wees de vorderingen grotendeels toe, maar verklaarde eiser niet-ontvankelijk in zijn reconventionele vorderingen. De rechtbank bekrachtigde dit vonnis, waarna eiser cassatie instelde. De Hoge Raad oordeelt dat eiser in hoger beroep wel vorderingen kan instellen die logisch sequeel zijn van de vernietiging van het vonnis, zoals ongedaanmaking van reeds verrichte betalingen.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat het oordeel van de rechtbank over het tekortschieten van eiser in de nakoming van zijn verplichtingen onvoldoende gemotiveerd is, met name omdat eiser volgens een correcte berekening geen huurachterstand had. Het oordeel dat eiser slecht huurder is vanwege zijn procedeerdrang wordt als verstrekkend beschouwd, maar niet onherroepelijk onjuist geacht. De zaak wordt vernietigd en verwezen voor hernieuwde beoordeling.
Uitkomst: Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor hernieuwde beoordeling.