ECLI:NL:PHR:2004:AI0726
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep cassatie inzake afwijzing energiepremie aanvraag
Belanghebbende diende op 15 februari 2001 een aanvraag in voor energiepremies bij een energiebedrijf, voor voorzieningen zoals HR++ glas, spouwmuurisolatie en dakisolatie. De aanvraag werd afgewezen omdat niet aannemelijk was gemaakt dat deze binnen de vereiste termijn van dertien weken na aanschaf was ingediend. Het hof verklaarde het beroep ongegrond. Belanghebbende stelde in cassatie dat de termijn pas zou lopen na het volledig aanbrengen van de voorzieningen, en dat het hof een onjuiste uitleg gaf aan de regeling.
De Hoge Raad overwoog dat de regeling inzake energiepremies complex en bureaucratisch is, met diverse wettelijke en beleidsregels die niet altijd goed op elkaar aansluiten. De regeling schrijft voor dat de premie moet worden aangevraagd binnen dertien weken na aanschaf, waarbij aanschaf wordt gedefinieerd als het volledig in eigendom verkrijgen, betaling, aanbrengen en in gebruik nemen van de voorziening. De Hoge Raad constateerde dat de voorzieningen waarvoor premie werd gevraagd in 1998 en 1999 waren aangeschaft, vóór de inwerkingtreding van de regeling per 1 januari 2000, en dat geen recht op premie bestaat voor aankopen vóór die datum.
Verder concludeerde de Hoge Raad dat het beroep niet slaagt omdat belanghebbende de tijdigheid van de aanvraag niet aannemelijk heeft gemaakt en geen verschoonbare omstandigheden heeft aangevoerd. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat de bewijslast voor tijdigheid bij belanghebbende rust. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt daarmee de afwijzing van de aanvraag door het energiebedrijf en het hof.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de energiepremieaanvraag bevestigd.