ECLI:NL:GHLEE:2002:AE5798
Gerechtshof Leeuwarden
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- prof. mr. Aardema
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen afwijzing aanvraag energiepremie wegens niet-tijdige indiening
Belanghebbende heeft in 1998 en 1999 isolatiemateriaal aangeschaft en daarvoor energiepremies aangevraagd. De aanvraag van 15 februari 2001 voor het materiaal uit die jaren werd door het energiebedrijf op 22 maart 2001 afgewezen. Belanghebbende wendde zich vervolgens tot de inspecteur met het verzoek om een oordeel over de afwijzing.
Het geschil betrof de vraag of de aanvraag tijdig was ingediend conform de wettelijke termijnen zoals opgenomen in artikel 36p van de Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm) en de Uitvoeringsregeling Wbm. Het hof oordeelde dat belanghebbende de bewijslast draagt voor tijdige indiening en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aanvraag binnen de vereiste termijn van dertien weken na aanschaf is gedaan.
Belanghebbende voerde tevens een beroep op het vertrouwensbeginsel en stelde dat het energiebedrijf een toezegging had gedaan dat de aanvraag altijd tijdig zou zijn indien ingediend na volledige plaatsing van de voorzieningen. Het hof verwierp dit beroep omdat de bewijslast voor tijdigheid op belanghebbende rust en hij daarin niet slaagde.
Verder stelde belanghebbende dat de regeling in strijd was met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, maar het hof oordeelde dat de wetgever vrij is om dergelijke regelingen te treffen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de afwijzing van de energiepremie wordt ongegrond verklaard.