ECLI:NL:PHR:2003:AN7635
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt strafoplegging ondanks schending bij DNA-afname en wijst bewijsuitsluiting af
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf voor afpersing, gepleegd met anderen. Verdachte voerde in hoger beroep meerdere verweren aan, waaronder dat de afname van zijn DNA-materiaal onrechtmatig was omdat zijn raadsman niet aanwezig was bij het horen voorafgaand aan de afname, wat volgens hem tot niet-ontvankelijkheid van het OM of bewijsuitsluiting moest leiden.
Het hof oordeelde dat artikel 151b, tweede lid, Wetboek van Strafvordering was geschonden omdat de raadsman niet kon worden afgewacht, maar dat deze schending niet leidde tot niet-ontvankelijkheid of bewijsuitsluiting omdat verdachte al in een eerder stadium overleg had gehad met zijn raadsman over het DNA-onderzoek en de mogelijke consequenties. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en wees het cassatieberoep af, stellende dat het hof niet onbegrijpelijk had geoordeeld dat verdachte niet in zijn verdediging was geschaad.
Daarnaast wees de Hoge Raad het verweer af dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het niet tot strafvermindering kwam ondanks de schending, en dat het hof terecht geen nadere motivering gaf over de opgelegde straf, gezien de aard van de omstandigheden. Ook het bewijsverweer dat verdachte een verklaring gaf voor de aanwezigheid van zijn haar in de bivakmuts werd door het hof terecht als ongeloofwaardig beoordeeld. De Hoge Raad vond geen reden tot vernietiging en verwierp het cassatieberoep.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling tot twee jaar gevangenisstraf ondanks schending bij DNA-afname en wijst bewijsuitsluiting af.