ECLI:NL:PHR:2003:AM2304
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing aansprakelijkheid Van Lanschot voor vermogensverlies gravin
Deze zaak betreft een geschil tussen de erven van een gravin en Van Lanschot over de aansprakelijkheid van de bank voor het verlies van een aanzienlijk aandelenvermogen. De gravin had haar aandelen via een complexe route via Nederland en Liechtenstein belegd met het oog op belastingontduiking en steun aan goede doelen. De aandelen werden in depot genomen bij Van Lanschot en later verkocht, waarbij de opbrengst via diverse vennootschappen werd overgemaakt.
De erven stelden dat Van Lanschot onzorgvuldig had gehandeld door onvoldoende onderzoek te doen naar de identiteit van de aandeelhouder en de herkomst van de aandelen, en dat daardoor vermogen van de gravin was verdwenen. De rechtbank en het hof oordeelden echter dat Van Lanschot niet onrechtmatig had gehandeld, mede omdat de bank handelde in opdracht van bevoegde personen en de identiteit van de gevolmachtigde bekend was.
De Hoge Raad bevestigt deze oordelen en benadrukt dat de opbrengst van de aandelen op de door de gravin gewenste bestemming is terechtgekomen, zodat geen sprake is van schade. Ook de vermeende onzorgvuldigheden van Van Lanschot leiden niet tot aansprakelijkheid. De Hoge Raad wijst verder op de maatschappelijke verantwoordelijkheid van banken, maar acht de handelwijze van Van Lanschot in deze zaak niet onrechtmatig. De klachten van de erven worden verworpen en het incidentele beroep van Van Lanschot wordt niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat Van Lanschot niet aansprakelijk is voor het vermogensverlies van de gravin en wijst het cassatieberoep van de erven af.