ECLI:NL:PHR:2003:AL6190
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Redelijke termijn overschreden bij uitspraak in hoger beroep ontnemingszaak
In deze zaak klaagt de veroordeelde over een schending van de redelijke termijn sinds het sluiten van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep. Het onderzoek begon op 9 april 2001 en werd op 5 oktober 2001 gesloten, met de mededeling dat de uitspraak op 2 november 2001 zou volgen. De uitspraak liet echter bijna elf maanden op zich wachten en vond pas plaats op 29 augustus 2002.
De Procureur-Generaal stelt vast dat deze vertraging niet gerechtvaardigd is door omstandigheden in het dossier en dat de veroordeelde niet op de hoogte is gesteld van de langere termijn. Hoewel artikel 511e lid 1 onder b Sv de rechter in ontnemingszaken niet bindt aan de termijn van veertien dagen voor uitspraak, mocht de veroordeelde vertrouwen op de aangekondigde datum.
De conclusie luidt dat de redelijke termijn is overschreden, maar dat dit niet automatisch leidt tot vernietiging van het arrest. De Procureur-Generaal adviseert een passende vermindering van het bedrag dat aan de Staat moet worden betaald ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, zonder de uitkomst van de hoofdzaak af te wachten.
Er zijn geen aanwijzingen voor andere gronden tot vernietiging, en de zaak hangt samen met een andere zaak waarin ook een conclusie is genomen. De zaak betreft een ontnemingsmaatregel opgelegd door het Gerechtshof Arnhem.
Uitkomst: De redelijke termijn is overschreden, wat leidt tot een vermindering van het te betalen bedrag aan de Staat, zonder vernietiging van het arrest.