ECLI:NL:PHR:2003:AL3327
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling kwalificatie feiten in uitleveringszaak op grond van Opiumwet
In deze uitleveringszaak heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage op 10 juni 2003 de vervolgingsuitlevering van de opgeëiste persoon aan Frankrijk toelaatbaar verklaard. Tegen deze beslissing is cassatie ingesteld door de advocaat van de opgeëiste persoon.
De kern van het geschil betrof de juiste kwalificatie van de feiten volgens Nederlands recht. De rechtbank had de feiten gekwalificeerd als medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 van Pro de Opiumwet (oud) en artikel 10 juncto Pro artikel 47 van Pro het Wetboek van Strafrecht. De cassatie klaagde dat de rechtbank onjuist had gekwalificeerd, met name dat het tweede deel van de kwalificatie niet juist zou zijn omdat de feiten waren gepleegd vóór een wetswijziging van artikel 2 Opiumwet Pro.
De Hoge Raad overwoog dat artikel 28, derde lid, van de Uitleveringswet niet voorschrijft dat de kwalificatie van de feiten naar Nederlands recht moet worden vermeld, maar dat de toepasselijke wetsbepalingen moeten worden genoemd. Verder geldt dat de strafbaarheid naar Nederlands recht wordt beoordeeld naar het tijdstip van de uitspraak omtrent de toelaatbaarheid van uitlevering. De rechtbank had bovendien ten overvloede willen aangeven dat het feit ook ten tijde van het plegen strafbaar was.
De Hoge Raad verwierp het middel en vond geen aanleiding om ambtshalve de bestreden uitspraak te vernietigen. Hiermee bleef de beslissing tot toelaatbaarheid van uitlevering in stand.
Uitkomst: Het cassatiemiddel wordt verworpen en de toelaatbaarheid van de uitlevering blijft in stand.