ECLI:NL:PHR:2003:AI0034
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bewijs en opzet bij poging tot doodslag met kapmes
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, waarin verdachte is veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf wegens poging tot doodslag met een kapmes. De verdachte had het slachtoffer, met wie hij een beëindigde relatie had, opgezocht en met geweld de toegang tot haar kamer verschaft. Hij zwaaide met een kapmes in haar richting, waarbij zij verwondingen opliep aan hoofd, hals en onderarmen.
Het eerste middel in cassatie betoogde dat het bewezenverklaarde voorwaardelijk opzet niet uit de bewijsmiddelen kon worden afgeleid, omdat niet was vastgesteld dat de verwondingen levensbedreigend waren. De Hoge Raad herhaalt de criteria voor voorwaardelijk opzet, waarbij sprake moet zijn van bewust aanvaarden van een aanmerkelijke kans op het gevolg. De Raad benadrukt dat de aard van het gevolg niet los gezien kan worden van de gedraging en omstandigheden.
De Hoge Raad oordeelt dat het zwaaien met het kapmes in de richting van het slachtoffer, waarbij deze werd geraakt aan hoofd en hals, gedragingen zijn die zozeer gericht zijn op het toebrengen van dodelijk letsel dat het hof terecht heeft aangenomen dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Het beroep wordt verworpen, waarmee de veroordeling tot zeven jaar gevangenisstraf in stand blijft.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling tot zeven jaar gevangenisstraf wegens poging tot doodslag met een kapmes.