ECLI:NL:PHR:2003:AF8842
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt verzetrecht derde-schuldeisers tegen faillietverklaring en oordeelt over pauliana en doorbetaling Ziektewet
In deze zaak stond centraal de vraag of een derde-schuldeiser, SUH Stenen uit Hurwenen B.V., verzet had moeten instellen bij het gerechtshof tegen een faillietverklaring die het hof had uitgesproken nadat de rechtbank het verzoek had afgewezen. De Hoge Raad bevestigde dat volgens de Faillissementswet (art. 10-12 Fw) verzet eerst bij het gerechtshof moet worden ingesteld en dat cassatie pas openstaat na afwijzing van dat verzet. Hierdoor werd het cassatieberoep van SUH niet-ontvankelijk verklaard.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad over de toepassing van pauliana op een beding in de arbeidsovereenkomst tussen SUH en de werknemer [betrokkene 1]. Het hof had geoordeeld dat het beding, dat neerkwam op een afstand van recht zonder tegenprestatie en benadeling van schuldeisers, vernietigd kon worden. Dit oordeel werd door de Hoge Raad bevestigd. Tevens werd vastgesteld dat SUH verplicht was tot doorbetaling van Ziektewetuitkeringen aan de werknemer, ondanks dat deze niet rechtstreeks waren doorbetaald.
De Hoge Raad ging ook in op de vraag of de curator bevoegd was om namens de failliete werknemer de vordering tot doorbetaling van ziekengeld te gelde te maken, en bevestigde dat dit het geval was. Verder werd geoordeeld dat de aanwezigheid van steunvorderingen van de fiscus en het niet betalen van de vorderingen voldoende waren om faillietverklaring te rechtvaardigen, zonder dat vaststelling van meer onbetaalde schulden noodzakelijk was.
De conclusie van de Procureur-Generaal was dat het cassatieberoep van SUH verworpen moest worden en het cassatieberoep van de curator niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad volgde deze conclusies.
Uitkomst: Het cassatieberoep van SUH werd niet-ontvankelijk verklaard en het faillissement van SUH werd bevestigd.