ECLI:NL:PHR:2003:AF8535
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing artikel 18 Wet IB 1964 bij inbreng onderneming met vervreemding wezenlijk deel
Belanghebbende bracht zijn onderneming, bestaande uit een tankstation en andere activiteiten, in een BV in. Voor de oprichting van de BV werd het tankstation, een wezenlijk deel van de onderneming, verkocht aan een derde. De Inspecteur weigerde toepassing van artikel 18 Wet Pro IB 1964, omdat de inbreng onderdeel was van rechtshandelingen gericht op overdracht van een wezenlijk deel van de onderneming.
Het Hof oordeelde dat artikel 18 Wet Pro IB 1964 buiten toepassing bleef bij overdracht of liquidatie van de gehele onderneming, maar niet als slechts een wezenlijk deel werd overgedragen. Het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond, zonder het subsidiaire verweer over normale bedrijfsuitoefening te beoordelen.
De Hoge Raad stelt dat de uitzondering in artikel 18 Wet Pro IB 1964 ook geldt bij overdracht of liquidatie van een wezenlijk deel van de onderneming. Omdat het Hof geen oordeel gaf over de vraag of de inbreng deel uitmaakte van rechtshandelingen gericht op vervreemding van het tankstation, en over de normale bedrijfsuitoefening, vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak voor nader feitenonderzoek naar een ander Hof.
Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt voor nader feitenonderzoek terugverwezen.