ECLI:NL:PHR:2003:AF7925
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vermindering straf wegens overschrijding redelijke termijn bij medeplichtigheid poging diefstal
Het Gerechtshof Arnhem heeft verdachte veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf wegens medeplichtigheid aan poging tot diefstal door braak, gepleegd door twee of meer verenigde personen. Verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest, waarbij drie middelen werden aangevoerd.
Het eerste middel betrof de schending van het recht op een behandeling binnen een redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, vanwege een overschrijding van ruim zes maanden tussen het instellen van cassatie en ontvangst van stukken. De Hoge Raad oordeelde dat dit middel gegrond was en dat de straf ambtshalve verminderd kon worden.
Het tweede middel betrof een niet-ontvankelijkheidsverweer wegens vermeende schending van artikel 5 EVRM Pro bij de aanhouding en verhoor van minderjarige hoofdverdachten. De Hoge Raad verwierp dit verweer, stellende dat de aanhouding en het verhoor van de minderjarigen niet onrechtmatig waren en dat verdachte zelf niet in haar rechten was geschaad.
Het derde middel betrof de motivering van de bewezenverklaring, waarbij werd aangevoerd dat de verklaring van een minderjarige getuige onvoldoende betrouwbaar was. De Hoge Raad oordeelde dat het hof binnen zijn beoordelingsvrijheid had gehandeld en dit middel verwierp.
De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur en verminderde de straf om de overschrijding van de redelijke termijn te compenseren, terwijl het beroep voor het overige werd verworpen.
Uitkomst: De straf van drie maanden gevangenisstraf wordt verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.