ECLI:NL:PHR:2003:AF1885
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat werkgever overhevelingstoeslag niet mag terugvorderen van werknemer
Deze zaak betreft vorderingen van werknemers die werkzaam waren op het Nederlandse deel van het Continentaal Plat tussen 1 juli 1989 en 1 januari 1992. Gedurende deze periode waren zij onterecht niet verzekerd ingevolge de volksverzekeringen, terwijl werkgever en werknemer dit wel aannamen. Werkgevers betaalden daarom een overhevelingstoeslag aan werknemers, die later door werknemers werden terugbetaald, waarna zij deze premies konden terugvorderen van de belastingdienst.
De werkgever stelde dat de terugbetaalde overhevelingstoeslag aan hen moest worden teruggegeven. De rechtbank wees dit af, oordelend dat de werkgever geen recht had op terugvordering wegens onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verduidelijkt dat de arbeidsovereenkomst een leemte vertoont die, gelet op de billijkheid, moet worden aangevuld met de verplichting van de werkgever om een bedrag gelijk aan de overhevelingstoeslag te betalen.
De Hoge Raad benadrukt dat de betaling van de overhevelingstoeslag geacht moet worden voor het volle bedrag verschuldigd te zijn geschied en dat terugvordering door de werkgever niet mogelijk is. Ook het tekenen van een schuldbekentenis door de werknemer leidt niet zonder meer tot een overeenkomst tot terugbetaling, zeker niet als de werknemer deze alleen tekende om een belastingformulier te verkrijgen. De klachten van de werkgever worden verworpen en het beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt dat de werkgever de overhevelingstoeslag niet kan terugvorderen van de werknemer.