ECLI:NL:PHR:2003:AE6414
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van lijfrentepremieaftrek bij preconstitutieve rechtshandelingen van een BV in oprichting
Belanghebbende, een scheepsbouwkundig ingenieur, bracht zijn onderneming in 1998 geruisloos in een BV in oprichting, waarbij hij een lijfrenteovereenkomst sloot met die BV in oprichting. De vraag was of de betaalde lijfrentepremie in 1997 als persoonlijke verplichting in aftrek kon worden gebracht.
Het Hof oordeelde dat de lijfrentepremie aftrekbaar was, omdat de overeenkomst werd bekrachtigd na oprichting van de BV. De staatssecretaris stelde cassatie in en betoogde dat een preconstitutieve rechtshandeling geen geldige lijfrenteovereenkomst oplevert en de aftrek pas in het jaar van overdracht (1998) relevant is.
De Hoge Raad bevestigde dat een BV in oprichting pas na oprichting en bekrachtiging rechtsbetrekkingen aangaat. Preconstitutieve rechtshandelingen zijn onvolkomen en leiden niet tot een geldige lijfrenteovereenkomst in de zin van de Wet IB 1964. De aftrek van lijfrentepremies kan daarom niet plaatsvinden op basis van preconstitutieve handelingen. Tevens werd geoordeeld dat de omvang van de oudedagsreserve (FOR) in het jaar van overdracht bepalend is voor de aftrekruimte.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en bevestigde de uitspraak van de inspecteur, waarmee de aftrek van de lijfrentepremie in 1997 werd afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en bevestigt de weigering van aftrek van de lijfrentepremie in 1997 omdat de overeenkomst met de BV in oprichting niet rechtsgeldig was.