ECLI:NL:PHR:2002:AE7619
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest wegens onbeëdigde slachtofferverklaring bij zedendelict
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage waarin verzoeker wegens zedendelicten is veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk.
Tijdens de terechtzitting heeft de voorzitter het woord gegeven aan de moeder van enkele slachtoffers, die een verklaring aflegde zonder beëdigd te zijn en zonder dat de verdediging vragen kon stellen. De verdediging maakte bezwaar tegen deze procedurele gang van zaken en stelde dat deze onbeëdigde verklaring niet als bewijs mocht worden meegewogen.
De Hoge Raad overweegt dat volgens vaste jurisprudentie onbeëdigde verklaringen van personen die ter terechtzitting worden gehoord en die relevant zijn voor beslissingen van de rechter, substantieel nietig zijn. De moeder had op grond van art. 290 Sv Pro beëdigd moeten worden. Hoewel de verklaring niet voor de bewezenverklaring is gebruikt, is deze wel meegewogen bij de strafoplegging, wat onrechtmatig is.
De Hoge Raad acht het verzuim van beëdiging een substantieel vormverzuim dat de kwaliteit van de rechtspleging raakt. Daarom wordt het arrest vernietigd en wordt de zaak terugverwezen voor volledige herbeoordeling. Het tweede middel over een verzoek tot aanvulling van het proces-verbaal faalt.
De uitspraak benadrukt de noodzaak van duidelijke wettelijke regels omtrent het spreekrecht van slachtoffers en nabestaanden, met waarborgen voor het hoor en wederhoor en beëdiging om de rechten van de verdediging te beschermen.
Uitkomst: Arrest van het hof vernietigd wegens onbeëdigde slachtofferverklaring, zaak terugverwezen voor volledige herbeoordeling.