ECLI:NL:PHR:2002:AE7308
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over omzetbelastingheffing bij deelname aan consortium in onderwijsinnovatieproject
Belanghebbende, een vennootschap onder firma actief in automatiseringsadvies, nam deel aan een consortium van onderwijsinstellingen dat een innovatieproject uitvoerde en subsidie ontving op grond van de Regeling bve-2000 voor 1996. Zij ontving een bedrag uit de subsidie en bracht hierover omzetbelasting in rekening, welke zij later terugvorderde.
Het hof stelde belanghebbende in het gelijk door te oordelen dat de ontvangen vergoeding geen belastbare prestatie was, omdat zij deelnemer was aan het consortium en het bedrag haar aandeel in de subsidie betrof. De Inspecteur ging in cassatie tegen dit oordeel.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende feiten heeft vastgesteld om te concluderen dat de vergoeding niet deels een beloning voor verrichte prestaties is. De aard van het consortium als belastingplichtige, de wijze van verdeling van de subsidie en het profijt van de deelnemers zijn onvoldoende onderzocht. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak voor nader onderzoek.
De zaak betreft de vraag of prestaties van een consortiumdeelnemer aan het consortium of andere leden als belastbare diensten moeten worden aangemerkt, waarbij de subsidie-uitkering mogelijk een vergoeding vormt. De Hoge Raad benadrukt dat onvoldoende feiten zijn vastgesteld over de economische realiteit van de samenwerking en de vergoeding.
Het arrest heeft belangrijke implicaties voor de omzetbelastingheffing bij samenwerkingsverbanden en de kwalificatie van subsidies en vergoedingen binnen dergelijke verbanden.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor nader onderzoek naar de aard van de vergoeding en de prestaties van belanghebbende binnen het consortium.