ECLI:NL:PHR:2002:AE1022
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aftrekbaarheid van kosten medicinale marihuana als buitengewone last bij HIV-patiënt
De zaak betreft een HIV-patiënt die in 1996 kosten voor medicinale marihuana als buitengewone last in zijn belastingaangifte aftrok. De inspecteur weigerde deze aftrek omdat marihuana niet als geneesmiddel of hulpmiddel werd erkend en de kosten niet bewezen waren. Het Hof Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond vanwege gebrek aan bewijs en het ontbreken van voorschrift van een arts in 1996.
In cassatie betoogde de belanghebbende dat marihuana wel degelijk als hulpmiddel moet worden aangemerkt en dat het begrip 'op voorschrift van een arts' ruimer moet worden uitgelegd. De Hoge Raad oordeelt dat de kwalificatie van marihuana als farmaceutisch hulpmiddel feitelijk onderzoek vergt, maar acht het mogelijk dat het in dit bijzondere geval als niet-farmaceutisch hulpmiddel kan gelden omdat het de patiënt in staat stelt zijn elementaire lichaamsfuncties te vervullen.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de wettelijke regeling omtrent aftrekbare buitengewone lasten, de jurisprudentie over genees- en heelkundige hulp, farmaceutische en niet-farmaceutische hulpmiddelen, en de bewijsproblematiek bij het ontbreken van betalingsbewijzen. Gelet op het bijzondere geval van de belanghebbende en de procesrechtelijke omstandigheden acht de Hoge Raad het gerechtvaardigd om de zaak terug te verwijzen voor nader feitelijk onderzoek naar de kosten.
De uitspraak benadrukt ook het belang van het grondrecht op leven en het verbod op onmenselijke behandeling, en dat volledige uitsluiting van aftrek in dergelijke omstandigheden mogelijk onrechtvaardig is. De Hoge Raad concludeert dat het beroep gegrond moet worden verklaard, het vonnis van het Hof vernietigd en de zaak terugverwezen voor feitelijke beoordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het arrest van het Hof vernietigd en de zaak terugverwezen voor nader feitelijk onderzoek naar de kosten van medicinale marihuana.