ECLI:NL:PHR:2002:AE0287
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Dringende morele verplichting tot levensonderhoud bij beëindiging LAT-relaties en aftrekbaarheid van periodieke betalingen
Belanghebbende had na beëindiging van verschillende relaties periodieke betalingen gedaan aan zijn gewezen partners. Het Hof Arnhem oordeelde dat deze betalingen niet aftrekbaar waren omdat zij niet berustten op een dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud zoals bedoeld in artikel 45, lid 1, letter d van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
De Hoge Raad stelt dat het begrip dringende morele verplichting aansluit bij het civielrechtelijke begrip natuurlijke verbintenis en dat deze ook kan voortvloeien uit de beëindiging van een LAT-relatie, zeker indien daaruit een kind is geboren. De maatschappelijke opvattingen die hierbij gelden, worden beoordeeld naar de opvattingen in Nederland, ook als de betrokkenen in het buitenland wonen.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat de beoordeling van de dringende morele verplichting objectief moet plaatsvinden en dat de weigering van de gewezen partner om betalingen te accepteren niet afdoet aan het bestaan van de verplichting. De zaak wordt vernietigd en verwezen naar een ander hof voor verdere behandeling, met name voor onderzoek naar de behoeftigheid van de gewezen partners.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak voor verdere behandeling met betrekking tot de dringende morele verplichting en behoeftigheid.