ECLI:NL:PHR:2002:AD7737
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over meldingsplicht bij verkrijging eigen aandelen en voorwaardelijke optieovereenkomst onder Wmz 1991
In deze zaak staat centraal of de verkrijging van eigen aandelen door een vennootschap onder de meldingsplicht valt zoals neergelegd in artikel 3 van Pro de Wet melding zeggenschap 1991 (Wmz 1991). Het hof had geoordeeld dat ook de inkoop van eigen aandelen meldingsplichtig is en veroordeelde verdachte tot een voorwaardelijke geldboete. Verdachte stelde in cassatie onder meer dat de normadressaat van de Wmz niet de vennootschap maar de belegger is en dat een voorwaardelijke optieovereenkomst geen meldingsplicht met zich meebrengt.
De Hoge Raad overweegt uitgebreid over de strekking en uitleg van de Wmz 1991 en de Europese richtlijn waarop deze wet is gebaseerd. De Raad bevestigt dat de wet beoogt transparantie te bevorderen en dat de vennootschap die eigen aandelen inkoopt in principe meldingsplichtig kan zijn. Echter, de Hoge Raad stelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de voorwaardelijke optieovereenkomst niet als zodanig kan worden aangemerkt en dat het bewijs voor de bewezenverklaring onvoldoende is.
De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak naar een ander hof voor hernieuwde behandeling, waarbij het hof opnieuw moet beoordelen of sprake is van een meldingsplicht en of de bewezenverklaring standhoudt. Hiermee wordt de zaak inhoudelijk opnieuw bekeken met inachtneming van de juiste rechtsvragen en bewijsvereisten.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak naar een ander hof voor hernieuwde behandeling.