ECLI:NL:PHR:2002:AD6238
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vermindering ontnemingsbedrag wegens overschrijding redelijke termijn in ontnemingsprocedure
In deze zaak stond de ontnemingsvordering tegen verzoeker centraal, waarbij het hof de wijziging van de grondslag van de ontnemingsvordering had toegestaan en de vordering tot betaling van wederrechtelijk verkregen voordeel had toegewezen. Verzoeker stelde cassatiemiddelen in tegen deze beslissing, waaronder dat de wijziging van de ontnemingsvordering niet toelaatbaar was en dat de redelijke termijn voor de behandeling van de ontnemingszaak was overschreden.
De Hoge Raad overwoog dat de wijziging van de ontnemingsvordering binnen de grenzen van artikel 36e Sr bleef en dat verzoeker voldoende gelegenheid had gekregen zich tegen de wijziging te verweren. Ten aanzien van de redelijke termijn stelde de Hoge Raad vast dat de totale duur van de procedure in eerste aanleg ongeveer 30 maanden bedroeg, wat de wettelijke termijn van twee jaar overschreed. Deze overschrijding werd grotendeels veroorzaakt door de stilstand van het financieel onderzoek tussen de veroordeling in eerste aanleg en het hoger beroep in de strafzaak, en door een schorsing van de ontnemingsprocedure voor schriftelijke voorbereiding.
De Hoge Raad achtte deze overschrijding van de redelijke termijn gegrond en paste daarom een vermindering van 10% toe op het te ontnemen bedrag. De overige middelen faalden, waaronder het middel dat de redelijke termijn in hoger beroep zou zijn overschreden. De beslissing van het hof werd vernietigd voor zover het de hoogte van het ontnemingsbedrag betrof en het bedrag werd verminderd, terwijl het beroep voor het overige werd verworpen.
Uitkomst: Het te ontnemen bedrag wordt met 10% verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn in de ontnemingsprocedure.