ECLI:NL:PHR:2002:AD6225
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt strafbaarheid openlijke geweldpleging tegen stoffelijk overschot als goed in artikel 141 Sr
In deze zaak stond centraal of openlijke geweldpleging tegen een stoffelijk overschot strafbaar is onder artikel 141 van Pro het Wetboek van Strafrecht. De verdachte werd veroordeeld voor het schoppen tegen het lichaam van een overleden persoon, waarbij het hof had geoordeeld dat een lijk als een goed in de zin van artikel 141 Sr Pro moet worden beschouwd.
De Hoge Raad bevestigde dat het begrip "goed" in artikel 141 Sr Pro ruim moet worden uitgelegd, waarbij de bescherming van de openbare orde voorop staat. Het hof had terecht geoordeeld dat het schoppen tegen een lijk een schokkende vorm van geweld is die de openbare orde verstoort, ongeacht of het lijk aan een ander toebehoort. De wetsgeschiedenis en eerdere jurisprudentie ondersteunen deze ruime interpretatie.
Daarnaast besprak de Hoge Raad dat hoewel specifieke artikelen in het Wetboek van Strafrecht gedragingen ten aanzien van lijken strafbaar stellen (zoals artikel 150 Sr Pro over het wederrechtelijk wegnemen van een lijk), dit niet uitsluit dat openlijke geweldpleging tegen een lijk ook onder artikel 141 Sr Pro valt. De verdachte werd vrijgesproken van openlijke geweldpleging met dood tot gevolg, omdat daarvoor vereist is dat het geweld de dood zelf veroorzaakt moet hebben.
De Hoge Raad verwierp ook andere middelen, waaronder de klacht over de onbegrijpelijkheid van de bewezenverklaring en de datum van het gepleegde feit. De uitspraak bevestigt de strafrechtelijke bescherming van stoffelijke overschotten als goederen in de zin van artikel 141 Sr Pro en verduidelijkt de reikwijdte van dit artikel ten aanzien van openlijke geweldpleging.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat openlijke geweldpleging tegen een stoffelijk overschot strafbaar is als geweld tegen een goed in de zin van artikel 141 Sr en wijst het cassatieberoep af.