ECLI:NL:PHR:2001:ZD1861
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing en reikwijdte van het Verdrag inzake overbrenging van gevonniste personen bij ontvluchting
De zaak betreft een verzoek tot overname van de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf die in Duitsland was opgelegd aan een Nederlandse staatsburger die zich door ontvluchting aan de verdere strafuitvoering onttrok en zich in Nederland bevond.
De rechtbank verleende verlof tot tenuitvoerlegging op basis van het VOGP, maar de verdediging voerde aan dat dit verdrag niet toepasselijk was omdat de veroordeelde zich niet meer in de staat van veroordeling bevond. De Hoge Raad oordeelt dat het VOGP alleen ziet op veroordeelden die zich in de veroordelende staat bevinden, maar dat art. 68 SUO Pro een uitbreiding biedt voor situaties waarin de veroordeelde door ontvluchting naar zijn eigen land is gegaan.
De Hoge Raad bevestigt dat aan de voorwaarden van art. 68 SUO Pro is voldaan en dat de rechtbank het VOGP terecht heeft toegepast. Daarnaast werd een klacht over een aanvullende uitspraak verworpen omdat de wet geen verplichting tot een dergelijke aanvulling kent en de rechtbank voldoende inzicht had gegeven in de feiten en stukken waarop zij haar oordeel baseerde.
De Hoge Raad vernietigt het vonnis alleen voor zover de rechtbank art. 68 SUO Pro niet expliciet als toepasselijke verdragsbepaling had vermeld, en wijst het beroep verder af.
Uitkomst: Het beroep wordt verworpen en het verlof tot tenuitvoerlegging blijft gehandhaafd, met vernietiging uitsluitend voor het formele verzuim omtrent art. 68 SUO.