ECLI:NL:PHR:2001:ZC3661
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Arbeidsongeschiktheid door mishandeling op boerderij: aansprakelijkheid werkgever bevestigd
De werknemer werkte van 1978 tot 1990 als knecht op de boerderij van de werkgever, waarbij hij vanaf 1981 ook bij de werkgever inwoonde en zeer lange werkdagen maakte. De werknemer stelde dat hij door de werkgever herhaaldelijk werd mishandeld, zowel lichamelijk als geestelijk, wat leidde tot arbeidsongeschiktheid in 1987. Hij vorderde schadevergoeding wegens mishandeling, achtergehouden loon en verduisterde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen.
De strafrechter sprak de werkgever vrij van zware mishandeling wegens onvoldoende bewijs van zwaar lichamelijk letsel, maar achtte wel bewezen dat mishandelingen hadden plaatsgevonden. De civiele rechter oordeelde dat de mishandelingen onrechtmatig waren en dat er een oorzakelijk verband bestond met de schade van de werknemer. De rechtbank kende smartengeld toe en verwees inkomensschade naar schadestaatprocedure.
Het hof bevestigde het oordeel van de rechtbank, wees het bewijs van mishandeling toe en verwierp de grieven van de werkgever. De Hoge Raad oordeelde dat de civiele rechter niet gebonden is aan de strafrechtelijke vrijspraak en dat het bewijs in de civiele procedure zelfstandig moet worden beoordeeld. De klachten van de werkgever over bewijs en motivering faalden, evenals de klachten over de hoogte van het smartengeld. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de aansprakelijkheid van de werkgever voor mishandeling en toekenning van smartengeld.