ECLI:NL:PHR:2001:AD2687
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verplichte procureursbijstand niet vereist in verzoekschriftprocedure inzake politieregisters
De regiopolitie Amsterdam-Amstelland stelde een proces-verbaal op tegen verweerder wegens vermeende strafbare feiten in de periode 1996-1998. De strafzaak werd geseponeerd wegens onvoldoende schuld. Verweerder verzocht vervolgens om verwijdering van zijn gegevens uit politiegegevensregisters, wat door de korpsbeheerder werd afgewezen. De rechtbank wees het verzoek van verweerder toe om de gegevens te verwijderen. De korpsbeheerder ging in hoger beroep, maar het hof verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat het beroepschrift niet door een procureur was ingediend.
De Hoge Raad oordeelt dat op verzoekschriftprocedures op grond van artikel 23 Wet Pro politieregisters, in verbinding met artikel 34 Wet Pro persoonsregistraties, de verplichting tot procureursbijstand niet van toepassing is. Dit volgt uit de uitzonderingen in artikel 34 lid 6 WPR Pro en de parlementaire geschiedenis die een eenvoudige en minder formele beroepsgang voor ogen had. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.
De conclusie van de Procureur-Generaal benadrukt dat de kosten in cassatie gecompenseerd dienen te worden en dat er geen aanleiding is om verweerder in de kosten te veroordelen. De zaak betreft daarmee een belangrijke verduidelijking van de procedurele regels omtrent procesvertegenwoordiging in verzoekschriftprocedures tegen politiegegevensregistraties.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en oordeelt dat in verzoekschriftprocedures op grond van de Wet politieregisters geen verplichte procureursbijstand geldt.