ECLI:NL:PHR:2001:AB2927
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over waardering stamrechtverplichting bij zetelverplaatsing binnen fiscale eenheid
In deze zaak stond de fiscale waardering van een stamrechtverplichting centraal, die was ondergebracht in een vennootschap binnen een fiscale eenheid, waarbij de dochtervennootschap haar zetel naar de Nederlandse Antillen verplaatste.
De Inspecteur legde een navorderingsaanslag op op basis van een hogere waarde in het economische verkeer van de stamrechtverplichting per 31 december 1993, waarbij hij zich baseerde op de 16e standaardvoorwaarde van artikel 15 Wet Pro VPB en artikel 16 Wet Pro IB 1964. Belanghebbende betwistte dit en het Hof vernietigde de navorderingsaanslag, oordeelde dat geen sprake was van een stille reserve verschuiving binnen de fiscale eenheid en dat het niet in overeenstemming was met goed koopmansgebruik om de stamrechtverplichting af te waarderen op basis van het voornemen van afstand in 1994.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof en verwierp de cassatiemiddelen. De Raad oordeelde dat de Inspecteur onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de 16e standaardvoorwaarde tot herwaardering leidde en dat artikel 16 Wet Pro IB 1964 niet van toepassing was omdat belanghebbende niet was opgehouden belastbare winst te genieten. Ook mocht geen rekening worden gehouden met het voornemen tot afstand van het stamrecht bij de waardering per 31 december 1993.
De conclusie van de Procureur-Generaal was dat het beroep ongegrond moest worden verklaard, waarmee het Hofvonnis in stand bleef.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt vernietiging navorderingsaanslag wegens onjuiste waardering stamrechtverplichting per 31 december 1993.