ECLI:NL:PHR:2001:AA9973
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over waardebepaling en proceskosten bij onteigening ten behoeve van Betuweroute
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een vonnis van de rechtbank Rotterdam inzake onteigening van percelen ten behoeve van de aanleg van de Betuweroute. De onroerende zaken betroffen onder meer een benzinestation en omliggende gronden met diverse gebruiksfuncties. De kern van het geschil betrof de waardebepaling van de onteigende percelen, de invloed van een wijzigingsbevoegdheid tot het vestigen van een tankstation, en de vergoeding van kosten die de onteigende maakte.
De deskundigen en rechtbank stelden vast dat de wijzigingsbevoegdheid slechts een beperkte waardevermeerdering opleverde vanwege geringe realisatiekansen, mede door planologische belemmeringen en richtlijnen van Rijkswaterstaat. Daarnaast werd een waardevermindering vastgesteld voor een ingesloten perceelsgedeelte, begroot op ƒ 10 per m2. De onteigende voerde aan dat de rechtbank onjuist oordeelde over de verplaatsing van een LPG-tank en de planologische mogelijkheden, maar deze klachten werden verworpen omdat de rechtbank het oordeel voldoende motiveerde en de feiten juist beoordeelde.
Verder werd geoordeeld dat de eigen kosten van de onteigende, zoals gemiste arbeidstijd en tijdsbesteding aan de procedure, niet voor vergoeding in aanmerking komen. Dit volgt uit de uitleg van artikel 50 van Pro de Onteigeningswet en eerdere jurisprudentie. De Hoge Raad concludeert dat deze kosten niet als rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de onteigening kunnen worden aangemerkt en dat de onteigende beleidsvrijheid heeft in de mate van eigen inzet in de procedure.
Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee het vonnis van de rechtbank in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het vonnis van de rechtbank blijft in stand.