ECLI:NL:PHR:2000:AA8718
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vordering tot betaling van facturen na bedrijfsovername en cessievraagstuk
In deze zaak vordert eiseres betaling van negen onbetaalde facturen uit 1988, oorspronkelijk verzonden door een eenmansbedrijf dat zij in 1994 als BV heeft voortgezet. De kern van het geschil betreft de vraag of de vorderingen rechtsgeldig aan eiseres zijn overgedragen (cessie) en of de verjaring door incassobrieven is gestuit.
De rechtbank verklaarde eiseres niet-ontvankelijk omdat geen akte van cessie was overgelegd en mededeling aan de debiteur ontbrak. Het hof bevestigde dit oordeel, oordeelde dat de brief van 16 juli 1993 geen ondubbelzinnige stuiting van verjaring inhield en dat de brief van 30 december 1992 niet tijdig was ontvangen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de brief van 16 juli 1993 geen stuitende werking heeft, omdat deze expliciet de wens tot nakoming uitdrukt en afkomstig is van een incassobureau. Ook laat het hof in het midden of de akte van inbreng kan gelden als cessie-akte. De zaak wordt vernietigd en verwezen voor verdere behandeling, waarbij ook andere verweren aan de orde moeten komen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling over cessie en verjaring.