ECLI:NL:PHR:2000:AA6517
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rekenrente bij waardering pensioenverplichtingen directiepensioenlichaam per 1 januari 1992
De zaak betreft de fiscale waardering van pensioenverplichtingen van X BV, een directiepensioenlichaam, per 1 januari 1992. Belanghebbende had haar pensioenverplichtingen gewaardeerd met een rekenrente van 7%, terwijl de Inspecteur een rekenrente van 4% hanteerde. Tevens speelde de vraag of het coming-backservice element fiscaal onbelast kon vrijvallen op grond van de compartimenteringsleer.
De Wet Brede Herwaardering I maakte directiepensioenlichamen vanaf 1992 belastingplichtig en verplichtte hen hun pensioenverplichtingen op de openingsbalans te waarderen tegen de waarde in het economische verkeer. De hoogte van de rekenrente bij deze waardering was onderwerp van discussie, waarbij 4% als een voorzichtig en gebruikelijk niveau werd beschouwd, mede gebaseerd op de praktijk bij pensioenfondsen en verzekeraars.
Het Hof ’s-Hertogenbosch oordeelde dat de waarde van de pensioenverplichtingen niet kon worden gelijkgesteld aan nominale pensioenverplichtingen met winstdeling binnen het SDS-circuit, waar een rekenrente van 7% werd toegepast. Het Hof stelde dat een rekenrente van 4% passend was en verwierp het beroep op de compartimenteringsleer voor het coming-backservice element.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het Hof, benadrukt dat de waardering van pensioenverplichtingen per 1 januari 1992 een feitelijke kwestie is en dat de rekenrente van 4% passend is gezien de praktijk en parlementaire geschiedenis. Het middel van cassatie wordt verworpen en het beroep afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de pensioenverplichtingen per 1 januari 1992 gewaardeerd moeten worden tegen een rekenrente van 4% en wijst het cassatieberoep af.