ECLI:NL:PHR:2000:AA6295
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Werkgever mag afgaan op oordeel bedrijfsvereniging bij arbeidsongeschiktheid werknemer
In deze zaak stond centraal de vraag voor wiens risico het niet werken van een werknemer komt wanneer de bedrijfsvereniging haar arbeidsongeschiktheid vaststelt en de werkgever dit oordeel volgt, terwijl de werknemer zich beschikbaar houdt en stelt arbeid te kunnen verrichten.
De werknemer was sinds 1974 in dienst en viel uit wegens hartklachten. Na een periode van ziekte werd zij door de bedrijfsvereniging als volledig arbeidsongeschikt voor haar eigen werk beschouwd, waarop de werkgever haar werkzaamheden stopzette. De werknemer betwistte dit en vorderde loonbetaling over de periode dat zij niet mocht werken. Zowel de kantonrechter als de rechtbank oordeelden dat de werkgever het loon moest doorbetalen omdat zij zich had gebaseerd op een onjuist oordeel van de bedrijfsvereniging.
De Hoge Raad bevestigt dat de werkgever in beginsel mag afgaan op het oordeel van de bedrijfsvereniging, die als onafhankelijke deskundige wordt beschouwd. Dit geldt ook als de werknemer andere medische verklaringen overlegt. Alleen indien de werknemer met voldoende onderbouwing aantoont dat hij wel arbeidsgeschikt is, mag de werkgever niet langer op het oordeel van de bedrijfsvereniging vertrouwen.
De Hoge Raad vernietigt het bestreden vonnis en verwijst de zaak terug naar de lagere rechter om te beoordelen of de werknemer voldoende bewijs heeft geleverd dat zij haar werkzaamheden kon hervatten. De uitspraak benadrukt het belang van de second opinion van de bedrijfsvereniging en de balans tussen belangen van werkgever en werknemer bij ziekte en loonbetaling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verwijst de zaak terug voor beoordeling of de werknemer haar werkzaamheden kon hervatten.