ECLI:NL:PHR:2000:AA6231
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Retentierecht aannemer tegenover bank met ouder hypotheekrecht op onroerende zaak
De zaak betreft een geschil tussen een aannemer en een bank over het retentierecht op een onroerende zaak waarop de bank een ouder hypotheekrecht heeft gevestigd. De aannemer sloot een aannemingsovereenkomst met de vrouw die eigenaar was van het perceel, en daarnaast een aanvullende overeenkomst met de man, die niet eigenaar was en geen bevoegdheid had namens de vrouw te handelen.
De aannemer vorderde betaling van werkzaamheden uit hoofde van de aanvullende overeenkomst en beriep zich op een retentierecht tegenover de bank. Rechtbank en Hof verwierpen dit beroep, stellende dat de man niet bevoegd was de aanvullende overeenkomst aan te gaan namens de vrouw en dat de aannemer niet te goeder trouw was.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verduidelijkte dat voor het kunnen inroepen van een retentierecht tegenover een derde met een ouder recht, de schuldenaar bevoegd moet zijn geweest de overeenkomst aan te gaan, of dat de schuldeiser geen reden had aan die bevoegdheid te twijfelen. De aannemer kon dit niet aannemelijk maken, mede omdat de vrouw buiten gemeenschap van goederen was gehuwd en de man geen feitelijke bevoegdheid had. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de aannemer wordt verworpen; zij kan zich niet beroepen op een retentierecht tegenover de bank met ouder hypotheekrecht.