ECLI:NL:PHR:2000:AA4744
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen toepassing artikel 13b Wet Vpb bij omzetting achtergestelde lening
In deze zaak staat de toepassing van artikel 13b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 centraal, waarbij de Staatssecretaris van Financiën cassatie instelde tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam over de aanslag vennootschapsbelasting 1991.
Belanghebbende, actief in transportverzekeringen, had een rekening-courantvordering op een Belgische dochtervennootschap (A), die in 1991 werd omgezet in een achtergestelde lening. De Inspecteur stelde dat deze omzetting een informele kapitaalstorting betrof, waardoor de afwaarderingen van de vordering moesten worden bijgeteld bij de belastbare winst volgens artikel 13b Wet Vpb 1969.
Het Hof verwierp dit standpunt en oordeelde dat de omzetting niet leidde tot een informele kapitaalstorting en dat artikel 13b niet van toepassing was. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat de achtergestelde lening niet voldoet aan de criteria van een deelnemerslening en dat de omzetting geen sfeerovergang van vreemd vermogen naar eigen vermogen inhoudt.
De Hoge Raad concludeert dat de waardedaling van de vordering niet definitief is gemaakt door de omzetting en dat een eventuele latere waardestijging belastbaar blijft. Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het beroep van de Staatssecretaris verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en het beroep verworpen.