Conclusie
eerstemiddel richt zich met rechts en motiveringsklachten tegen de verwerping van het verweer dat verzoeker geen wederrechtelijk voordeel kan hebben verkregen door midden van of uit de baten van de bewezenverklaarde handelingen.
tweedemiddel richt zich tegen de verwerping van het verweer dat — kort samengevat — door het ontbreken van bewijsmiddelen in de hoofdzaak in de ontnemingszaak niet kan worden vastgesteld of en zo ja hoeveel heroïne er is verkocht en in hoeverre verzoeker daarvan wederrechtelijk heeft geprofiteerd.
derdemiddel bevat een drietal klachten, te weten:
redelijkis de gemaakte kosten in mindering te brengen. Dat brengt met zich mee dat anders dan de steller van het middel meent, dergelijke kosten niet
moeten, maar
kunnenworden afgetrokken. Wat er ook zij van de overwegingen die ik hiervoor onder 10.2 heb weergegeven, naar mijn mening wordt in de nadere bewijsoverweging, zoals weergegeven onder 10.3 de dragende overweging tot uitdrukking gebracht op basis waarvan het hof tot zijn oordeel is gekomen dat geen kosten in mindering moeten worden gebracht. Het komt er op neer dat het hof eigenlijk van oordeel is dat zo er al kosten gemaakt zijn, het niet redelijk zou zijn om deze in mindering te brengen. Naar mijn mening is dit een feitelijk oordeel dat in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst. Ik zal proberen de gedachtengang van het hof te reconstrueren. De omstandigheid dat de ontnemingsvordering zich beperkt tot de bewezenverklaarde feiten betekent niet dat voor de aftrek van kosten geen rekening kan worden gehouden met eerdere drugstransporten. Het hof was kennelijk van oordeel dat het zeer onwaarschijnlijk was dat de veroordeelde uit deze eerdere drugstransporten geen inkomsten heeft genoten en dat het hoogst waarschijnlijk is dat met deze genoten inkomsten een deel van de ingevoerde partij die in de onderhavige zaak centraal staat, is gefinancierd. Het daarmee tot uitdrukking gebrachte oordeel dat het niet redelijk is om op deze manier illegaal verworven inkomsten in het ene transport als kostenpost bij andere transport aan te wenden, is naar mijn mening niet onbegrijpelijk.
vierdemiddel kan uit de gebruikte bewijsmiddelen niet volgen dat door verzoeker en zijn mededader(s) van de ‘’augustus-partij’’ meer dan acht kg is verkocht, zodat ten onrechte is uitgegaan van een verkoop van 17 kg, althans dat het hof zijn schatting van het verkregen voordeel onjuist en/of onvoldoende heeft gemotiveerd, althans doordat de schatting in strijd is met de gebruikte bewijsmiddelen.
vijfdemiddel stelt dat het hof bewijsmiddelen heeft gebruikt die niet redengevend (kunnen en mogen) zijn voor de schatting van het verkregen voordeel, althans dat het hof zijn schatting onjuist en/of onvoldoende heeft gemotiveerd.
zesdeen laatste middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte de door verzoeker ter zitting van het hof Den Haag afgelegde verklaring voor het bewijs heeft gebruikt, althans doordat de uitspraak van het Amsterdamse gerechtshof (ten dele) niet is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting.