ECLI:NL:PHR:1999:AA4005
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet-inschrijving in registers bij verdeling gemeenschap van goederen
Partijen waren gehuwd in algehele gemeenschap van goederen, die na echtscheiding onverdeeld bleef. De man vorderde verdeling van de gemeenschap, waarbij onroerende zaken in Portugal en Nederland betrokken waren. Partijen bereikten een akkoord over de verdeling en de rechtbank stelde deze vast. De vrouw kwam in hoger beroep met grieven tegen de verdeling en stelde onder meer dwaling, bedrog en misbruik van omstandigheden aan de orde.
Het Hof verwierp de grieven en stelde het arrest vast, waarbij het arrest in de plaats trad van een notariële akte voor de levering van registergoederen conform art. 3:300 BW Pro. De vrouw stelde cassatieberoep in, maar had niet voldaan aan de verplichting tot inschrijving van het beroep in de registers binnen de wettelijke termijn zoals voorgeschreven in art. 3:301 lid 2 BW Pro.
De Hoge Raad overwoog dat deze niet-inschrijving leidt tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Hoewel discussie bestond of dit de gehele niet-ontvankelijkheid tot gevolg heeft of slechts voor het gedeelte van het arrest dat in de plaats treedt van de notariële akte, koos de Hoge Raad uit oogpunt van rechtszekerheid voor de volledige niet-ontvankelijkheid. De vrouw werd aldus niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep.
Uitkomst: Cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-inschrijving in registers volgens art. 3:301 lid 2 BW.