ECLI:NL:PHR:1999:AA2734
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Gelijkheidsbeginsel en belastingheffing op CDK-spaarbiljetten in cassatie
De belanghebbende verwierf in 1984 de blote eigendom van CDK-spaarbiljetten en ontving in het betreffende jaar ƒ 15.000. De Inspecteur stelde een navorderingsaanslag op wegens niet-aangifte van rente als disconto. Het Hof bevestigde deze kwalificatie en wees het beroep op het gelijkheidsbeginsel af, omdat de belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat een meerderheid van vergelijkbare gevallen niet in de heffing was betrokken.
De belanghebbende stelde in cassatie dat het gelijkheidsbeginsel op landelijke schaal werd geschonden, omdat andere houders van CDK-stukken en vergelijkbare beleggingen zoals ING- en RABO-stukken niet werden aangeslagen. De Hoge Raad overwoog dat het gelijkheidsbeginsel alleen geldt binnen de bevoegdheid van de individuele inspecteur en dat landelijke toepassing van een meerderheidsregel vereist dat aannemelijk wordt gemaakt dat het voorschrift in een aanzienlijk aantal gevallen landelijk niet is toegepast.
De klacht faalt omdat de belanghebbende dit niet aannemelijk heeft gemaakt en het Hof oordeelde dat de beleggingen in ING- en RABO-stukken verschillen van CDK-stukken. De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt de rechtmatigheid van de navorderingsaanslag en de afwijzing van het beroep op het gelijkheidsbeginsel.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de navorderingsaanslag en het oordeel over het gelijkheidsbeginsel bevestigd.