ECLI:NL:PHR:1998:AA2296
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vermogensverlies op participatie in werkgever niet aftrekbaar als kosten dienstbetrekking
De zaak betreft een geschil over de aftrekbaarheid van het verlies dat belanghebbende leed op certificaten van aandelen en een lening aan een vennootschap waarin hij participeerde als onderdeel van een management-buy-out. Belanghebbende was werknemer en nam deel via een aparte vennootschap, C BV, met een participatie in certificaten en een lening. Na faillissement van A BV verloor hij de waarde van deze participaties.
De Inspecteur stelde dat het verlies niet als aftrekbare kosten op inkomsten uit dienstbetrekking kon worden gebracht. Het Hof Amsterdam oordeelde dat belanghebbende zich redelijkerwijs niet aan de participatie kon onttrekken en stond aftrek toe tot een bedrag van ƒ 5.000,-. De Staatssecretaris betwistte dit en stelde dat het verlies niet gelijkgesteld kan worden aan kosten in de zin van art. 35 Wet Pro IB 1964.
De Hoge Raad analyseerde de aard van de participatie en de lening, verwijzend naar jurisprudentie, waaronder Duitse rechtspraak, en concludeerde dat het verlies op aandelen niet gelijkgesteld kan worden aan een borgstelling en dus niet aftrekbaar is. Voor de lening achtte de Hoge Raad het standpunt verdedigbaar maar vond motivering in het arrest ontbreekt. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling.
Uitkomst: Het arrest van het Hof Amsterdam wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling.