ECLI:NL:PHR:1998:12
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt beleidsvrijheid rechter bij proceskostenveroordeling ondanks afwijking van liquidatietarief
In deze zaak stond de hoogte van de proceskostenveroordeling centraal, waarbij eiser in cassatie betoogde dat het door het hof toegepaste bedrag van ƒ 28.400,- sterk afweek van het gebruikelijke liquidatietarief van circa ƒ 4.200,-. De Hoge Raad oordeelde dat het liquidatietarief geen recht in de zin van art. 99 Wet Pro RO vormt, omdat het niet door een bestuursorgaan is vastgesteld maar een product is van overleg tussen privaatrechtelijke organisaties.
De Hoge Raad benadrukte dat de rechter bij de vaststelling van proceskosten een beleidsvrijheid heeft en niet gebonden is aan het liquidatietarief. De motiveringsklacht faalde omdat de rechter niet verplicht is de hoogte van de kostenveroordeling te motiveren, tenzij de beslissing onbegrijpelijk is. Het hof had kennelijk tarief VIII toegepast, passend bij zaken met een geldwaarde boven ƒ 1.500.000,-, hetgeen overeenkomt met het gevorderde bedrag van circa ƒ 2 miljoen.
De Hoge Raad concludeerde dat het hof niet onbegrijpelijk heeft gehandeld door het hogere tarief toe te passen. Tevens wees de Hoge Raad op het belang van deskundigheid bij kostenberekeningen en suggereerde een gespecialiseerde griffiemedewerker met een computerprogramma voor controle, hoewel de beleidskeuze zelf bij de feitenrechter blijft.
Het cassatieberoep werd verworpen en eiser werd veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, welke nihil werden begroot aan de zijde van verweerder.
Uitkomst: Het cassatieberoep tegen de proceskostenveroordeling werd verworpen en eiser werd veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.