ECLI:NL:PHR:1997:AA2182
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over belastingheffing bij verkoop melkquotum en gedeeltelijke staking onderneming
De belanghebbende exploiteerde een landbouwbedrijf met melkveehouderij en varkenshouderij. Na het overlijden van zijn broer nam hij de verplichting over om geen melk te produceren, maar hervatte in 1990 tijdelijk de melkproductie. In 1992 verkocht hij het melkquotum. Het geschil betrof of de opbrengst van deze verkoop tot het belastbare inkomen behoorde.
Het Hof Arnhem oordeelde dat geen sprake was van gedeeltelijke staking omdat essentiële onroerende zaken voor de melkveehouderij in de onderneming bleven en dat de verkoopopbrengst niet als stakingsbate kon worden aangemerkt. De belanghebbende stelde dat de melkveehouderij als zelfstandig onderdeel was gestaakt en dat de opbrengst daarom belastbaar was als stakingswinst.
De Hoge Raad vernietigde het oordeel van het Hof en stelde dat de melkveehouderij een zelfstandig onderdeel van de onderneming vormde en dat de verkoop van het melkquotum een staking van dat onderdeel was. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof ten onrechte het begrip gedeeltelijke staking te eng had toegepast en dat het niet vereist is dat de onderneming als geheel duurzaam wordt ingekrompen. De aanslag werd verminderd en de staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en vermindert de aanslag, waarbij de verkoop van het melkquotum als staking van een zelfstandig onderdeel van de onderneming wordt aangemerkt.