Conclusie
Parket 8 maart 1996
Exploitatiemaatschappij Westduinweg B.V.
onderdelen 1 t/m 7van het middel hebben betrekking op het oordeel van de Rechtbank met betrekking tot de keuze van de vergelijkingspanden (r.o. 4.3 t/m 4.8).
Onderdeel 1keert zich tegen r.o. 4.6 van de bestreden beschikking en verdedigt de opvatting dat, anders dan de Rechtbank heeft beslist, van vergelijkbare bedrijfsruimte in de zin van art. (7A:)1632a lid 2 BW alleen dan sprake is indien de aard van de activiteiten welke in het procedurepand plaatsvinden overeenstemt met de aard van de activiteiten die in het vergelijkingspand plaatsvinden.
Onderdeel 2klaagt over r.o. 4.7 van de bestreden beschikking. In deze rechtsoverweging verwerpt de Rechtbank het standpunt van Westduinweg dat zes van de door de BHAC in haar advies betrokken panden niet als vergelijkingspanden kunnen worden gebruikt, omdat deze panden de planologische bestemming "volumineuze detailhandel" hebben, en niet gebruikt kunnen worden voor de in het procedurepand uitgeoefende "normale" detailhandel. Het onderdeel acht het oordeel van de Rechtbank onjuist, omdat dit verschil in bestemming de bedoelde zes panden ongeschikt maakt als vergelijkingspanden, althans omdat dit verschil in bestemming betrokken dient te worden in de beoordeling van de vraag of sprake is van vergelijkbare bedrijfsruimte.
onderdeel 3opgeworpen motiveringsklacht zal niet kunnen slagen. Al aangenomen dat de Rechtbank in de eerste zin van r.o. 4.7 de stelling van Westduinweg te beperkt heeft weergegeven, faalt de klacht wegens gebrek aan belang, nu de Rechtbank in het vervolg van r.o. 4.7 het door Westduinweg gestelde verschil in planologische bestemming met betrekking tot de aard van de daarin uit te oefenen detailhandel tussen het procedurepand en de bedoelde vergelijkingspanden in haar oordeel heeft betrokken.
onderdeel 4, inhoudende dat de Rechtbank ten onrechte (ook) geen rekening heeft gehouden met het verschil in bouwkundige gedaante tussen het procedurepand en de vergelijkingspanden, zal reeds wegens gebrek aan feitelijke grondslag moeten falen. In r.o. 4.5 heeft de Rechtbank immers - onbestreden in cassatie - vastgesteld dat door Westduinweg niet is betwist dat de bouwkundige staat van de door de BHAC gehanteerde vergelijkingspanden redelijk vergelijkbaar is met die van het procedurepand.
Onderdeel 5verwijt de Rechtbank dat zij, ook al zouden de bezwaren van de voorgaande onderdelen geen doel treffen, in elk geval ten onrechte geen betekenis heeft toegekend aan het door Westduinweg gestelde met betrekking tot de verschillen in oppervlakte, liggingssituatie en bevolkingssituatie tussen het procedurepand en de vergelijkingspanden.
onderdeel 6worden, als ik het goed zie, de reeds in de voorgaande onderdelen aangevoerde klachten herhaald en samengevat. Het onderdeel mist derhalve zelfstandige betekenis en zal moeten stranden op de reeds genoemde gronden.
Onderdeel 7klaagt dat de Rechtbank zich in de derde alinea en in de slotzin van de vierde alinea van r.o. 4.5 van haar beschikking heeft schuldig gemaakt aan een verboden aanvulling van feiten.
onderdelen 8 en 9van het middel betreffen van de Rechtbank met betrekking tot de aan de overkapte binnenplaats toe te kennen huurwaarde. Dienaangaande heeft de Rechtbank overwogen (r.o. 4.9):
De aan de binnenplaats toegekende waarde van 1/10e van de winkelruimte acht de rechtbank juist. Nu vast staat dat deze binnenplaats voor rekening van Konmar BV is overkapt, brengt zulks mee dat de huurwaarde hierdoor niet ten gunste van Westduinweg BV kan stijgen."
Onderdeel 8acht deze beslissing onjuist voor zover de beslissing aldus moet worden gelezen dat de huurwaarde van een door de huurder voor zijn rekening overkapte binnenplaats nimmer kan stijgen.
Onderdeel 9strekt ten betoge dat het oordeel van de Rechtbank, dat - kort gezegd - in het onderhavige geval geen plaats is voor een uitzondering op het uitgangspunt, zonder nadere motivering onbegrijpelijk is, nu Westduinweg onweersproken heeft gesteld dat - kort gezegd - de binnenplaats op eenvoudige wijze en met een geringe investering bij de verkoopoppervlakte kon worden gevoegd door deze te overkappen.
conclusiestrekt tot verwerping van het beroep.